Ulrich Libbrecht: Inleiding comparatieve filosofie - II

Culturen in het licht van een comparatief model

Henk Hogeboom van Buggenum

Uitg. Van Gorcum, 1999, ISBN 90 232 3303 4, 636 blzz., 97,50


Hoewel de omvang en de prijs van het werk van Libbrecht menigeen wellicht ervan zullen weerhouden het meteen aan te schaffen, zou ik daarvoor in deze recensie toch willen pleiten. De moeite en tijd, die het mij gekost heeft om het helemaal door te lezen, is het alleszins waard gebleken. Met het pak aantekeningen, dat ik eraan overhield, kan ik jaren voort. Het boek is ook bedoeld om ermee bezig te blijven. De schrijver zou het graag zien, dat wij zijn levenswerk tot het onze maken. Het is dan ook een leidraad en een uitdaging voor de komende generaties om het leven op deze planeet leef- en beleefbaar te houden.

 Het werk past geheel in deze tijd. De verschillende wereldculturen, die het vergelijkt, zijn immers nooit tevoren zó zichtbaar geworden voor elkaar. Daaraan zitten twee kanten. Hoewel daardoor enerzijds de nieuwsgierigheid naar elkaar wordt gewekt, ontstaat anderzijds de angst om door elkaar te worden verdrongen, de eigen identiteit te zullen verliezen. Ulrich Libbrecht deelt beide. Zijn nieuwsgierigheid naar het eigene van de diverse culturen resulteerde in een diepgravende studie van de filosofie van China, India en het Westen. Bezorgd is hij voor de teloorgang van de specifieke verworvenheden van deze drie. Met groot invoelingsvermogen beschrijft hij de eigen wijze, waarop men de werkelijkheid tot dusver in deze culturen benaderde.

In China overheerst de taoïstische benadering. Hierin ziet de mens zichzelf als deel van de natuur. Hij is immanent aan de natuur. Hij is niet gericht op iets, wat daarboven uitsteekt, wat deze natuur transcendeert. Voor hem ligt het mysterie van het bestaan hier, in zijn aardse werkelijkheid. Zijn weg (tao) is het, daarmee in harmonie te leven. Een godsbegrip kent men dus niet in China. De natuurbeleving is daar dan ook niet theïstisch (van: theos=God). De Chinees beleeft de natuur zoals een vis het water beleeft. Hij voelt er zich één mee. Je haalt de vis niet uit het water om hem te leren wat water is. Alle techniek dient slechts om de dingen hun eigen voltooiing te geven: als je van bomen een huis bouwt, is dat huis een boom in zijn voltooide mogelijkheid. Libbrecht vergelijkt deze geheel eigen visie van China op de natuur en op de techniek met die van ons. Het Westen heeft de vis uit het water gehaald. Wij hebben het subject van het object gescheiden. Bij ons plaatste de mens zich tegenover de natuur om haar te beheersen. De natuur werd ondergeschikt gemaakt aan de techniek. Met alle gevolgen vandien. De Indianen moesten dat pijnlijk ervaren, toen het Westen zijn invloed bij hen deed gelden. Hun cultuur werd door het Westen uit onbegrip welhaast vernietigd. Ze vertoont - aldus Libbrecht - veel overeenkomst met die van de taoïsten. Voor hen zijn "alle dingen energetische complexen, maar bevatten ook informatie, die zich manifesteert als inherente intelligentie; wetenschap is tenslotte niet meer dan het expliciteren van wat de natuur al weet" (p. 230). Hoewel hier door Libbrecht geen verbinding gelegd wordt met Teilhard, moeten we bij zo'n opmerking toch sterk denken aan diens opvatting van 'het bewustzijn, dat in alle dingen als scheppende kracht aanwezig is' (le devant).

 Werd onder het hoofdstuk 'natuurbeheersing en het probleem van de techniek' in het eerste deel van het boek al aandacht besteed aan de filosofie van Heidegger en de Frankfurter Schule, in het tweede deel krijgt de Westerse rationele benadering van de werkelijkheid het volle pond. In tegenstelling tot de 'wordingswereld', de dynamiek van de cyclische natuur, in het denken en de beleving van het Oosten, werd de wereld van het Westen onder invloed van de Griekse filosofie steeds meer gezien als een statische wereld. Men ging haar als een zijnswereld ervaren en als zodanig werd ze ook toegankelijk voor de wetenschap. Libbrecht beschrijft hoe deze ontwikkeling vanaf de Griekse mythologie kon plaatsvinden. Van een wereldbeeld waarin vele goden deel uitmaakten van de natuurlijke leefomgeving van de mens, ontstond het monotheïsme, waarin men één God of Opperste Macht buiten de wereld plaatste. Dit denken waarbij het subject en het object van elkaar gescheiden zijn, bevorderde ook het ontstaan van de wetenschap. Het subject dat zijn macht doet gelden over het object wordt in het Westen kenmerkend voor de wetenschap en techniek. In dit proces voelt de mens zich steeds meer autonoom en raakt God steeds verder uit beeld. De natuur wordt door de mens beheerst, heeft haar sacrale waarde verloren en raakt in een crisis. Maar ook het christendom zelf verkeert daardoor in een crisis. Het feit, dat het zich teveel op een God boven en buiten de wereld heeft gericht, breekt nu op.

 Bovenstaande beschrijving van de Chinese en de Westerse cultuur is natuurlijk zwart-wit. Zo kunnen ze ook het beste worden vergeleken in een model. Libbrecht laat echter daarnaast in die culturen ook de vele grijstinten zien. Stromingen, die van de dominante richting afwijken. Vaak zijn deze in een andere cultuur dan meer dominant aanwezig. Zo gaat hij uitvoerig in op het Ierse christendom van John Scotus (810-877), die ook Eriugena (= de Ier) werd genoemd. Voor hem was de wereld Gods buitenkant ofwel Gods emanatie. Dit is een van de vele voorbeelden, waarmee gewezen wordt op kenmerken in andere culturen. Immers, ook het neoplatonisme en het boeddhisme zien de wereld als emanatie. Op blz. 354 lezen we dan ook: "Eriugena kwam bijzonder dicht bij het concept van de boeddhanatuur: in zijn geval uiteraard de Christusnatuur [...] Jezus is evenals Gautama Siddharta als historisch persoon alleen belangrijk omdat hij heeft aangetoond dat de eenheidservaring met het Mysterie kan gerealiseerd worden. De mens die dit bereikt heeft noemen we respectievelijk Boeddha (de Verlichte) en Christus (de Gezalfde, d.i. de tot Zoon van God en dus tot God Verhevene): zij zijn de historische personen die de menselijke natuur tot zijn goddelijke natuur hebben teruggebracht."

 Uiteraard komen hier niet alleen begrippen als pantheïsme en panentheïsme in de context van de vele Indische religies en filosofische stromingen en in namen als Spinoza ter sprake, maar ook bijvoorbeeld de mystieke ervaring, de erfzonde naast de erfschuld, de acceptatie van Jezus alleen als profeet, door Ghandi bijvoorbeeld en door de Islam, de verschillende opvattingen over wedergeboorte. Kwesties, die - denk aan Kuitert (deze GAMMA blz. 33 -36) - in onze tijd hoogst actueel zijn. Ook belangrijk is echter, dat Libbrecht er in het hoofdstukje over het Ierse christendom op wijst, dat "het christendom" in die tijd "zelf een machtsfactor van de politiek werd en dat de hoge spiritualiteit daardoor afbrokkelt en het dogmatische en legalistische - het Grieks en het Romeins geïnspireerde de bovenhand haalt" (p. 358). Hier ligt de oorsprong van wat Antony Fernando in zijn boekje Christian Path to mental Maturity (zie deze GAMMA blz. 37) modelmatig als 'clan-religion' en 'adult-religion' onderscheidt.

Ik denk dat ik de bedoeling van Libbrechts werk het beste ook in combinatie met het streven van mensen als Antony Fernando en uiteindelijk ook Whitehead en Teilhard kan zien. Zij allen constateren een verstarring van het christendom door dogmatisme en machtspolitiek en proberen hieraan iets te doen door het blootleggen van de kern. Daarvoor is kennis van de eigen cultuur wezenlijk. Door het comparatieve model van Libbrecht zien we, dat deze eigen cultuur niet alleenzaligmakend is. "De mystiek is de echte religie, en schept een spiritueel veld, dat een onvervangbare rol speelt in het scheppen van een wereld van liefde, dit is van vrede. Omdat God een idee is, vraagt men ons erin te geloven; maar het Rijk Gods is geen Idee, maar een werkelijkheid die zich in de geschiedenis realiseert. Iedereen weet dat de geschiedenis voldoende bewijst dat geen enkele religie de zuivere mystieke beweging is. Een religie is altijd menselijk, met alle positieve en negatieve kenmerken die des mensen zijn: machtsdrang en haat, theologische betweterij, onverdraagzaamheid, monopolisme, maar evenzeer de zorg voor zieken en armen, liefde en vergeestelijking, godsvertrouwen en mystiek [...] kortom een religie is de historisering van de mystieke relatie: haar kern is het 'Rijk Gods'. [...] Wie de moed heeft in de originele bronnen te duiken, staat verbaasd over de hoeveelheid onwetenschap of pseudowetenschap die de mensheid heeft gegenereerd. Dit is ook waar in het mystieke vlak. [...] In werkelijkheid is het mystieke leven meestal verstikt door pseudoreligiositeit met een magische ondertoon of een kerkpolitieke boventoon. Al is het normaal dat al deze bijtonen ontstaan bij al wat des mensen is, toch mag men deze niet als mijlpalen in de spiritualiteit van de kosmos beschouwen. Spiritualiteit is een moeizaam proces. En het beste criterium is nog altijd "dat zij elkaar liefhebben". Zolang de mystieke ervaring van de mensheid er niet in slaagt machtswellust, economisch egoïsme, oorlog te bannen, betekent dit dat wij nog geen hoog niveau bereikt hebben, vooral als men daarbij bedenkt dat we de religies vaak in de frontlijn van dat soort zelfbevestiging en egocentrisme hebben gevonden. Maar dat alles moet ons de ogen niet doen sluiten voor de positieve kenmerken van de vergeestelijking: veel mensen zijn bereid een bijdrage te leveren voor de noodlijdenden en hebben medelijden met de slachtoffers van geweld; veel mensen zijn op zoek naar vergeestelijking en levenszin. Dit toont aan dat het langzame vergeestelijkingsproces steeds verder gaat: Auch wenn wir nicht wollen, Gott reift.

Nemen we het christendom als voorbeeld. Vanin het begin - na de dood van de stichter - heeft het zich als leer geprofileerd, en onder invloed van het patristieke platonisme ontstond geleidelijk een 'credo', een verzameling van punten die elke christen geloven moest - en waarrond enorm veel verbale en andere strijd is gevoerd. Daarna consolideerde het christendom zich als kerk rond dat credo, dat geen andere evolutie meer mocht doormaken - alleen orthodoxe theologische interpretatie was toegelaten. Het hoofddoel van dergelijke groep is zijn aanhang uit te breiden, en daarvoor is macht nodig. Macht vraagt middelen, en de gewone overreding is niet altijd het probaatste middel, men geeft vaak de voorkeur aan wapens en geweld. Van de vredesboodschap van het christendom blijft weinig over en van de liefde tot de vijanden haast niets. Men moet al erg aan geschiedvervalsing doen om het omgekeerde te bewijzen. Nu is het dramatische niet dat de intolerantie een karaktertrek van het christendom is. Wie de geschiedenis van Indië of de Islam leest ontmoet daar hetzelfde - alleen het boeddhisme verbreidde zich op een meer vreedzame wijze. " (blz. 403/4) "Dat elke religie zichzelf als 'waar' beschouwt, is meer dan normaal - men kan bezwaarlijk het omgekeerde verwachten. Hoe moeten we deze 'meerwaarde' vanuit comparatief standpunt duiden? Elke religie kan het geestelijk huis zijn van transcendente ervaring. Dit wordt door de feiten zelf bewezen: mystiek van het hoogste niveau komt in alle religies voor, hetgeen op zijn beurt betekent dat authentieke mystieke ervaring niet eigen is aan één bepaalde religie, hetgeen betekent dat elke religie 'waar' is. [...] Op de top van de berg ontmoeten alle wegen naar boven elkaar." (p. 406) "Of de religies het nodig vinden elkaar te bestrijden op het niveau van hun leer, is niet de zaak van comparatief denken. Maar ook ze met elkaar verzoenen is niet zijn taak - dit is wel het geval voor comparatieve religie" (p. 407)

Libbrecht vraagt zich af of met behulp van zijn model geen "paradigmatisch oecumenisch model" te vormen is (p. 427) Door hindoeïsme, hinayana- en mahayanaboeddhisme, jainisme en vele andere religieuze stromingen in hun kernopvattingen zichtbaar voor ons te maken en het christendom voor hen, verrichtte hij al het nodige voorwerk. Hij gunt ons daarmee een blik in de diepte. Zo zien we opvallende overeenkomsten. Bijvoorbeeld tussen de boeddhistische dharma-theorie en de procesfilosofie van Whitehead. In die theorie zijn de componenten van de vergankelijke wereld namelijk geen eeuwige substanties, maar een soort potenties, die sterk herinneren aan de concrescenties bij Whitehead. Het wordt hoog tijd, dat niet-westerse filosofieën worden opgenomen in het curriculum van de filosofiestudent, aldus Libbrecht. Wij kunnen het na lezing van dit onvergelijkbaar boeiende boek slechts onderschrijven en eraan toevoegen, dat het bij uitstek de taak voor religies is bemind te maken wat onbekend is. HvB